Rotary in een wereld vol tegenstellingen

U bevindt zich hier:

Gooitzen Zitman, 6 maart 2007

Naar een alliantie van gematigden

I. ROTARY IN EEN VERANDERENDE WERELD

Honderd jaar na haar oprichting bevindt de Rotary zich in een roerige wereld. Sinds 1989 is de wereld niet langer verdeeld in overzichtelijke machtsblokken, die elkaar in evenwicht houden. De dominantie van de liberale democratie die zichzelf tot eindprodukt van de geschiedenis had geproclameerd, bleek niet alom aanvaard te worden. Door processen als globalisering, migratie en de ontwikkeling van de moderne communicatiemedia zijn economische en sociale tegenstellingen zich gaan organiseren langs religieuze en culturele scheidslijnen. Vervolgens zijn die scheidslijnen zich gaan verdiepen. Internationaal werd de democratische wereld in 2001 wreed opgeschrikt door de aanslag op het WTC-gebouw in New York. De reactie ter verdediging van diezelfde democratie eiste vervolgens nog meer mensenlevens. Ook op nationaal niveau namen de maatschappelijke spanningen sterk toe. Door falende integratie dreigen de samenlevingen in landen als Duitsland, Frankrijk, Engeland, Spanje en Nederland uiteen te vallen in Parallelgesellschaften, etnische enclaves waarin migranten, meest moslims, zich afzonderen.

Het kan toch niet zo zijn dat een wereldwijde organisatie als Rotary, die volgens haar eigen Missionstatement een betere wereld wil helpen bouwen, een groter begrip tussen mensen wil kweken en het zoeken naar vrede in de wereld wil versterken, deze ontwikkelingen zonder meer aan zich voorbij laat gaan. Voor een Rotary die haar eigen doelstellingen serieus neemt, zouden deze ontwikkelingen toch aanleiding moeten zijn om eens goed over de eigen positie in dit nieuwe krachtenveld na te denken en te bezien òf en zo ja, wàt Rotary kan bijdragen aan het redden van haar zwaar onder vuur liggende doelstellingen. Gebruik van geweld in al zijn vormen is de ultieme instorting van communicatie. Zonder onderlinge communicatie is vreedzaam samenleven voor dicht naast elkaar levende mensen met verschillende culturen, onmogelijk. Een onmisbaar onderdeel in de communicatie is de ontmoeting vàn en het gesprek mèt die medemens. Begrip tussen mensen, eigenlijk de meest concrete doelstelling van Rotary, kan door niets méér worden bevorderd dan door dit proces.

II. ROTARY ALS INTERMEDIAIR

Om deze ontmoeting en samenspraak van langs elkaar levende bevolkingsgroepen mogelijk te maken zou Rotary zich, meer dan tot nu toe, kunnen opwerpen als intermediair. Met deze intermediaire rol heeft Rotary al veel ervaring. Met name in de International Service. Onder deze avenue vallen de vele ontmoetingsprogramma’s, het systeem van contact-en zusterclubs en uitwisselingsprogramma’s als jaarkinderen en Group Study Exchange, om er maar enkele te noemen. Wereldwijd heeft de centrale organisatie vanuit Evanston gezorgd voor een gemeenschappelijke referentiekader en voor gastvrijheid in de clubs, waardoor leden de mogelijkheid hebben om mensen te ontmoeten en te spreken die zij van hun leven nooit ontmoet zouden hebben als er geen Rotary was. “Meer dan tot nu toe” zou betekenen dat binnen Rotary niet alleen op internationaal, maar ook op locaal niveau het accent op intermediëren gelegd zal worden. De intermediaire rol vloeit a.h.w. vanzelf voort uit de keuze van Rotary om een niet-politieke, niet-dogmatische en niet-religieuze organisatie te willen zijn. De keuze hiervoor was niet toevallig. Het gaf de beste uitgangspositie om de waargenomen tegenstellingen te overbruggen en daarmee de grootste kans de eigen idealen te verwerkelijken.

III. ANALYSE VAN ACHTERLIGGENDE PROCESSEN

Politieke partijen, dogmatische organisaties en kerken hebben gemeen, dat zij beschouwd kunnen worden als verzamelplekken voor mensen die ergens hetzelfde over denken. Omringd door gelijkgestemde zielen treedt bij de leden ervan een belangrijke verandering op, die mensen niet alleen onderling samenbindt, maar tegelijkertijd scheidt van buitenstaanders. Doordat men zich samen veilig en onderling verbonden voelt, vindt groepsvorming plaats. Door de eensgezindheid voelt men zich in zijn opvattingen bevestigd en gaat men deze als waarheid ervaren. Uit deze constatering kan men in algemene termen afleiden, dat een perfecte rechtvaardiging voor opvattingen, ook morele, verkregen wordt enkel door het blote feit dat men het er over eens is. Het is dezelfde eensgezindheid, die het fundament levert onder alle groepsvorming en ook voor het bijeenhouden van de groep zorgt. Het ervaren van waarheid, een gevoel waar ieder mens zich overigens wel iets bij kan voorstellen, het idee gelijk te hebben of in je recht te staan, kan bij nader inzien, hoe je het ook wendt of keert, op één of andere manier worden herleid tot een groepsgebeuren. In dit opzicht doet men er goed aan het begrip “groep” breed op te vatten. Niet alleen politieke partijen of kerken, maar ook nationaliteiten, ethniciteiten, stam of familie kunnen onder bepaalde omstandigheden als zodanig worden beschouwd.

De keerzijde van groepsvorming is, zoals boven al gememoreerd, dat mensen als ze tot verschillende groepen behoren, er juist door van elkaar worden gescheiden. Tùssen groepen immers ligt een moreel niemandsland, waar per definitie van eensgezindheid geen sprake is. Hèt probleem waar de hele geschiedenis van getuigt is dat, als deze eensgezindheid uitblijft, er géén enkele andere grondslag of rechtvaardigingsgrond blijkt te zijn voor algemeen geldende en geaccepteerde waarden en normen. Welke regels en moraal niettemin in het tussenliggende niemandsland zullen gelden, is een bron van permanente maatschappelijke strijd, die voortkomt uit de natuurlijke drang van de mens om, al dan niet in een groep verenigd, te willen domineren.

De eerste optie van elke partij is dan ook te proberen deze dominantie te realiseren. Dit streven duurt voort zolang men zich zelf de sterkere waant en zichzelf kansen toedicht. Het is een strijd die met alle middelen wordt gevoerd, ook met moraal. Men kan de eigen heilsleer tot universeel geldig bestempelen en proberen deze dwingend aan anderen op te leggen. Op den duur strandt dit streven bijna altijd in oorlog en geweld, omdat overwonnenen het er niet bij laten zitten. Wanneer men zich de patstelling realiseert en het geweld beu is, kan men als tweede optie er voor kiezen alle confrontatie uit de weg te gaan. Men blijft het met de ander oneens, maar besluit de ander te tolereren, in de zin van gedogen. Men spreekt de ander niet meer aan op zijn gedrag en leeft langs elkaar heen. Dat leidt tot de in de inleiding vermelde “Parallelgesellschaften”, waarin iedere groep zich terugtrekt. Dat gaat goed zolang men de ruimte heeft elkaar te mijden. Mis gaat het pas als men b.v. door processen als migratie en globalisatie zo dicht opeen komt te leven, dat er toch fricties en spanningen ontstaan. Omdat men niets gemeenschappelijks heeft opgebouwd en dus ook niet te verliezen heeft, dragen deze botsingen het in zich om heel snel op ongecontroleerde wijze te escaleren, met verharding en radicalisatie als gevolg.

Wie inziet dat de ander niet blijvend tegen acceptabele kosten te domineren is en dat we te dicht opéén zijn komen leven om langs elkaar heen te leven, rest nog een derde mogelijkheid. Er kan geprobeerd worden met elkaar verstandige afspraken te maken over de verdeling en inrichting van het niemandsland en te komen tot een vorm van vreedzame coëxistentie.

Er moet sprake zijn van een zeker machtsevenwicht, van onderlinge afhankelijkheid en van een gevoel van kwetsbaarheid, alvorens een modus vivendi kan ontstaan, waarin het recht, en aanvullend de moraal, een rol gaan spelen bij het beteugelen van onderlinge geschillen.

IV. PUBLIEKE RUIMTE

De geschiedenis heeft ons geleerd dat optie drie, de vreedzame coëxistentie, geen historisch onvermijdelijk en noodzakelijk eindstadium is in de menselijke samenleving, maar dat zich op elk moment een ontwikkeling kan voordoen die ons weer, al dan niet via het verbreken van onderlinge betrekkingen, terugvoert naar de strijd om volledige dominantie. Het is deze tragische omstandigheid van nooit aflatende strijd, die Hannah Arendt (1906-1975) heeft doen voorstellen de benadering van menselijke conflicten niet langer te baseren op de verwachting, dat de grote verschillen tussen de bevolkingsgroepen ooit zullen verdwijnen en zullen uitmonden in een consensus. De geschiedenis had volgens haar voldoende laten zien, dat de mens, wat hij of zij werkelijk belangrijk vindt, de kern van de eigen identiteit, niet zomaar kan opgeven. Citaat: “Onze eigenheid is niet zozeer iets wat wij te kiezen hebben of bezitten. Het is omgekeerd. Eigenheid bezit òns. Het overkomt ons en drukt op ons in bij onze opvoeding en socialisatie. De grens van ons aanpassingsvermogen wordt niet bepaald door onverschilligheid of door niet-wìllen, maar simpel door niet-kùnnen. Wat mensen uiteindelijk verenigt, zo vervolgt zij, is niet één of andere eigenschap in hen, b.v. gemeenschappelijke waarden en overtuigingen, maar de ruimte tussen hen. Deze ruimte is niet neutraal en doet verschillen niet verdwijnen, maar maakt het mogelijk, dat de onderlinge verschillen uit elkaar worden gehouden, en zorgt ervoor dat ze elkaar niet verdringen. De publieke ruimte is een plaats waar men van mening kan verschillen. Door het gesprek wordt men binnen een bepaalde tijd en ruimte bijeengehouden. Het met elkaar spreken in een publieke ruimte produceert geen overeenkomst, maar geeft de gelegenheid het verschil zichtbaar te maken, buiten ons te plaatsen en achter zich te laten, zodat men er niet voortdurend over struikelt”.

V. APPÈL OP ROTARY

Het is dit idee van “publieke ruimte” waar Rotary mede invulling aan kan geven. Voor het beheersen en opbergen van conflicten is immers veel en goed beheerde “ruimte” nodig. Rotary kan dit leveren. Om te beginnen heeft de organisatie zichzelf door de eigen keuze om geen politieke, religieuze of dogmatische beweging te willen zijn, midden in het niemandsland gepositioneerd! Bovendien is Rotary, door de in haar Missionstatement verwoorde doelstellingen, het aan zichzelf verplicht dit ook te doen. Om die rol te kunnen spelen zijn naast de al zelf gekozen strikte morele en politieke neutraliteit, ook openheid en toegankelijkheid een noodzakelijke voorwaarde.

Uitbreiding van de intermediaire rol op lokaal niveau zal onvermijdelijk voor een deel ten koste gaan van de rollen, die momenteel in de clubs de boventoon voeren: de charitatieve rol van de Community Service en de normatieve rol van de Vocational Service. We moeten ons afvragen wat daarvan de gevolgen zijn voor de organisatie. In veel clubs zijn de serviceprojecten en fondsenwerving zelfs de belangrijkste activiteit. Noden lenigen is altijd goed en bovendien bevordert collectieve actie ook nog eens de fellowship. Maar in ons enthousiasme staan we wel eens te weinig stil bij het feit, dat doneren uiteindelijk een tamelijk eenzijdige activiteit is, waarin de ander vooral object is en veelal anoniem blijft. Ook realiseren we ons niet altijd dat mensen, liever nog dan bedeeld te worden, voor vol willen worden aangezien, mee willen tellen en zelf verantwoordelijk willen zijn voor het eigen welzijn. Wederzijds begrip is in elk geval niet te koop met geld. Voor het bereiken van onze doelstellingen lijkt daarom een accentverschuiving van charitas richting intermediair geen slechte zaak.

Ook bij de doelmatigheid van de normatieve rol zijn vanuit deze optiek kanttekeningen te plaatsen. De normatieve rol van Rotary vindt zijn oorsprong in de in het Missionstatement verwoorde “encouraging high ethical standards”. Met deze “hoog ethische”normen zouden Rotarians zich moeten onderscheiden van de buitenwereld. Vergeten werd dat het formuleren en uitventen van opvattingen door Rotary sowieso niet kan plaatsvinden, zonder dat de organisatie zich daarmee als een zoveelste groep doet kennen. De buitenwereld zit niet te wachten op nog meer concurrentie bij de verdeling van de openbare ruimte. De keerzijde van de medaille van onze zelfopgelegde morele pretentie is zelfs nog groter. Het dwingt ons namelijk bij het zoeken naar consensus over normen om ook intern als een groep te gaan functioneren. Het eerste wat we in dat kader doen, is personen met afwijkende opvattingen of culturele achtergrond niet als lid toelaten. En als dan blijkt dat, ondanks de selectieve coöptatie van nieuwe leden, consensus nog steeds te hoog gegrepen is, wordt vervolgens omwille van de goede sfeer, discussie over wezenlijke zaken verder vermeden. Zo werkt onze morele pretentie per saldo niet alleen de geslotenheid van de eigen organisatie in de hand, maar wordt bovendien het ethisch debat binnen Rotary er eerder door òntmoedigd dan aàngemoedigd.

De normatieve rol blijkt daardoor nader inzien haaks te staan op de intermediaire, die immers om onbevangenheid en openheid vraagt. Beiden rollen tegelijk willen vervullen, kan dan ook niet zonder de effectiviteit van de organisatie als geheel, ernstig te ondermijnen. Als we het nastreven van onze doelstellingen centraal willen stellen, zal er daarom gekozen moeten worden en wel voor een consequent uitgevoerde intermediaire rol van Rotary.

VI. ROTARY IN EEN WERELD VOL TEGENSTELLINGEN

In de rol van bemiddelaar accepteert Rotary, dat verschillende groepen met ieder hun eigen “waarheid” blijven voortbestaan, omdat zonder grenzen en tradities geen identiteit en geborgenheid mogelijk zijn. Het opheffen van groepen kan dan ook niet het doel van de dialoog zijn, maar wél het doorgankelijk maken van de tussenliggende grenzen en het ontwikkelen van zoveel saamhorigheid, dat onderlinge verschillen kunnen worden verdragen. Een vitale samenleving is gebaat bij openheid en dynamiek met de mogelijkheid om tot nieuwe activiteiten en tot nieuwe coalities te komen, die minder op bestaande tradities gebaseerd zijn. Elkaar informeren, samenspraak en gemeenschappelijke duiding van het besprokene vormen de sterkste methode om aan saamhorigheid te werken en de mogelijkheden voor nieuwe coalities te onderzoeken.

Rotary beschikt over een ijzersterke formule om dit aan dit proces onderdak te bieden. Namelijk de wekelijkse clubbijeenkomsten. Daarin kunnen spraakmakende en beleidsbepalende personen uit alle sectoren van de maatschappij in een vertrouwde omgeving met elkaar praten over alles wat hen bezighoudt. Het uitoefenen van een bepaald beroep is bij een intermediaire benadering geen zinnig vereiste meer voor lidmaatschap, omdat de organisatie haar doelstellingen heeft verruimd van het bevorderen van bedrijfsethiek naar het nastreven van kosmopolitische doelstellingen. In het leven gaat het tenslotte om veel meer dan alleen maar werken. In de vernieuwde opzet wordt vooral gekeken naar wat iemand betekent voor de samenleving, naar diens betrokkenheid en gevoel voor verantwoordelijkheid. Voor Rotary is men een interessant potentieel lid op grond van de eigen daden en prestaties op maatschappelijk gebied. Het ideale lid dat wij zoeken voor Rotary, is vooral nieuwsgierig. Nieuwsgierig, naar hoe anderen hun leven vorm geven en hun verantwoordelijkheden zien. Hij of zij heeft de capaciteit om vragen te stellen in de breedste zin van het woord en de moed om te zoeken naar antwoorden. Hij of zij is bereid de eigen keuzes daarin toe te lichten en daar ook op aangesproken te worden. Rotary heeft voor het lidmaatschap nooit enige formele belemmering gekend, wat betreft opleiding, ras, geloof, cultuur, beroep of functie. Het creatief interpreteren van de bestaande classificaties biedt genoeg mogelijkheden voor een ruimer ledenbeleid.

Hoewel de organisatie zich in haar nieuwe rol moreel neutraal opstelt, geldt dit absoluut niet voor de individuele leden. Zij allen dragen hun afkomst met zich mee en gaan het debat aan gewapend met hun eigen waarden. Rotaryclubs krijgen zo het karakter van een arena. Maar wel één, waar het spel netjes gespeeld wordt. Leden gaan hoffelijk met elkaar om en zijn bereid voorkeur te geven aan de manier waarop zij met elkaar omgaan boven het binnenhalen van het eigen gelijk. Door argumentatie mag iedereen proberen anderen te winnen voor het eigen standpunt, maar in het debat moet vorm gegeven worden aan wat de essentie is van Rotary:

“van de ander en van onszelf vragen dat we luisteren naar elkaar om de eigen visie te toetsen en zonodig bij te stellen”.

Wat als resultaat van deze discussie aan waarden en normen wordt voortgebracht, zijn gedragsregels voor de publieke ruimte. Als zodanig heeft déze moraal geen enkele waarheidspretentie.

VII. ALLIANTIE VAN GEMATIGDEN

De grootste opgave, waar de organisatie nieuwe stijl voor zal komen te staan, is het vinden van een juiste balans tussen fellowship en openheid. Deze vormen communicerende vaten. Een te grote openheid bedreigt de onderlinge vriendschap, die nodig is om de zaak op lange termijn bijeen te houden. Een zeer hechte onderlinge band daarintegen gaat weer ten koste van de toegankelijkheid en openheid. Zonder een oriëntatie op de buitenwereld is het realiseren van onze doelstellingen niet haalbaar. Omdat, naast eerder genoemde oorzaken, ook door de frequente samenkomsten een neiging bestaat tot groepsvorming, moet aan openheid permanent aandacht worden besteed. In dat kader moet er ook voor gewaakt worden, dat leden niet van hun achterban vervreemden. Dat zou zijn doel voorbij schieten, want de enige manier waarop Rotary, immers een organisatie zonder eigen standpunten, invloed op de maatschappij kan uitoefenen, is juist doordat leden, gevoed door het debat binnen Rotary, op individuele basis het gesprek voortzetten in de eigen werkomgeving, beroep of achterban.

In zijn bemiddelende rol zal Rotary proberen om fanatici de wind uit de zeilen te nemen, bruggen te bouwen, harmonie te bevorderen en compromissen voor te stellen, kortom vorm te geven aan gematigdheid. Want beschaving is, naast het bedwingen van hartstochten, vooral maat houden. Om misverstanden te voorkomen zij hier vermeld, dat hier met gematigdheid niet middelmatigheid, indolentie of gezapigheid wordt bedoeld. Wat wel wordt bedoeld, is gematigheid in de zin van zelfbeperking en de ander ruimte en bestaansrecht gunnen. Een gematigdheid die daardoor juist verstarring tegengaat, omdat het mensen verlokt om de veiligheid van de eigen groep te verlaten en met anderen te zoeken naar een nieuw gemenebest. Gematigheid dus, als noodzakelijke voorwaarde om mobiliteit en dynamiek in de samenleving mogelijk te maken en daardoor ook als tegenhanger van extremisme. In het bestrijden daarvan keren gematigden zich tegen iemand omdat hij de mening van een ander niet duldt, niet omdat hij een andere mening heeft.

Tot slot, gematigd zijn, vraagt een grote mate van individuele moed, ten eerste omdat de persoon in kwestie zijn weg door het leven moet zien te vinden zonder de steun van stellige overtuigingen en ten tweede om de druk van de eigen sociale achterban te weerstaan. In een wereld vol tegenstellingen kunnen gematigde krachten alleen overleven door steun te zoeken bij elkaar. Begrip tussen mensen en vrede in de wereld is gebaat bij individuen, die ongeacht hun herkomst besluiten tot een gezamenlijke toekomst, die de juiste bewoordingen zoeken om de ervaringskloof te overbruggen tussen ingezetenen en nieuwkomers, tussen gelovigen en ongelovigen. De grootste dienst die de Rotary op dit moment aan de maatschappij kan verlenen, is het verschaffen van extra publieke ruimte en het zich omvormen tot een alliantie van gematigden.

Gooitzen Zitman, 6 maart 2007

gzitman@wanadoo.nl

Image Navigation

Wevolve