Lezing voorzitter Vision Group

U bevindt zich hier:

LEZING ROTARY gehouden voor District 1590 op de Districts-assembly 27 maart 2004 – door de Voorzitter van de Vision Group.

Beste Rotarians, vrienden, vriendinnen,

Twee jaar geleden werd binnen de landelijke stuurgroep communicatie het initiatief genomen om te komen tot een visiongroup waarvan de leden zich zouden moeten buigen over “de toekomst van Rotary in Nederland”. Ik werd verzocht om mee te denken en zei daar ja op in het besef dat het overgrote deel van de clubs weliswaar prima functioneert, maar dat na 100 jaar de samenleving veranderd is en misschien andere accenten zouden moeten worden gelegd. Na diverse discussierondes werd in november 2002 aan het toenmalige gouverneursberaad een rapport overhandigd dat pleitte voor vernieuwing waarbij onze beroepsuitoefening centraal stond. De daarop geënte voorstellen zijn vervolgens onderwerp van discussie geweest bij het gouverneursberaad en een aantal andere betrokkenen waaronder een groep van 30 jonge Rotarians. Dat gaf de visiongroup aanleiding om vorig jaar een nauwkeuriger analyse te geven van een viertal thema’s die wij relevant achten voor onze analyse. Dat waren achtereenvolgens het bestaansrecht van Rotary in Nederland en haar identiteit, vocational service, communicatie en organisatie. Binnen enkele weken zal die herziene versie (uitgebreider) en een samenvatting daarvan ter beschikking van de clubs komen voor discussie op weg naar het eeuwfeest in 2005. Daarin zijn ook voorstellen opgenomen. Enkele ervan zal ik noemen.

Het doet mij bijzonder veel genoegen en ik voel mij vereerd een uitnodiging van uw gouverneur te hebben ontvangen om in het kort de hoofdlijnen van onze bevindingen te schetsen. Daarbij hebben wij uitdrukkelijk twee uitgangspunten gehanteerd, te weten wat waren de

basisideeën van Paul Harris, oprichter, toen hij met drie vrienden in februari 1905 in Chicago op een middag bijeenzat. Wie ooit zijn boeken heeft gelezen, komt tot de verrassende ontdekking dat de grondtonen van zijn gedachtegoed ook na 100 jaar nog recht overeind staan.

Hij en zijn vrienden bevonden zich in de eerste fase van zich een ontwikkelende kapitalistische economie die alle kenmerken van het Wilde Westen vertoonde. Economische monopolyvorming vond op grote schaal plaats waarbij alleen macht telde.

Omkoperij was aan de orde van de dag en in de onderlinge verhoudingen heerste het geld en niet de moraal. Dat deed hem later neerschrijven: (“my road to rotary”) “the survival of the fittest seems a brutal doctrine, a hangover from the jungle; it is just that and civilisation cries out against it, demanding that we find better ways to settle our disputes”. Hij voegde daaraan de verzuchting toe: “In the Rotary plan business is an important part of life but it is not the all of life. He whose vision extends no further than his field of business is to be pitied.” Wat hem betrof zou Rotary dan ook de nadruk moeten leggen op de morele grondslagen van het samenleven.

Ons tweede uitgangspunt was het gegeven dat Rotary onderdeel is van de Nederlandse samenleving en daarvan niet los kan worden gezien. Rotary clubs behoren geen eilandjes te zijn. De leden ervan zijn immers onderdeel van die samenleving en erdoor beïnvloed. Die samenleving wordt meer dan ooit getekend door het idee dat het individu centraal staat. De Nederlander is niet meer sinds de jaren ’60 primair onderdeel van een sociale groep of verband.

Hij is gewoon zichzelf op weg naar de maximale zelfontplooiing. Vraagt u zichzelf maar eens af van welke groep of kleine gemeenschap – met uitzondering van uw gezin of familie – u zich onderdeel voelt en wel in die mate dat dat uw normbesef beïnvloedt. Die vrijheid tot het zelf uitmaken wat goed voor je is heeft uiteraard grote voordelen. Het maakt je vrijer en ook meer verantwoordelijk voor jezelf en je omgeving. Helaas heeft die vrijheid bij overdrijving ervan ook zijn schaduwzijde: vrijblijvendheid. Dat woord is veelzeggend: ik wil vrij blijven. En dat is de regel in Nederland in 2004.

Uitzondering op de regel is belangeloze gebondenheid. Dat kom je niet vaak meer tegen. Volgens het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het regeringsbeleid over waarden en normen bestaat er groot pessimisme over de ontwikkeling van zeden en gedrag. Daardoor kan de steun voor normen en dus de sociale controle afnemen, ondanks dat de meeste Nederlanders het eens zijn over de waarden van de Nederlandse rechtstaat en democratie. Het rapport ziet voor vrijwilligersorganisaties een taak voor onderhoud en overdracht van waarden en normen die ons dierbaar zijn. Wat doet Rotary daarmee? Met deze uitnodiging om voorbeeld te zijn? Bij Rotary zeggen we niettemin vrijwillig maar niet vrijblijvend. Houden wij ons aan die groepsnorm? Of is het contract-denken bij uw hier niet aanwezige clubleden ook dominant (dat geldt dus uiteraard niet voor u want u zit hier op uw vrije zaterdag geheel vrijwillig) op de wijze van: “wat kan Rotary voor mij betekenen? In plaats van: “wat kan ik voor Rotary betekenen?”. Dat laatste geldt voor velen die misschien toch nog met te weinig zijn. Zouden we die weinigen over de brug krijgen, zo vraag ik mij af. Tenslotte is het wiel het symbool van Rotary en het kenmerkende van een wiel is dat het beweegt. Zijn we bereid om, gezien de veranderende samenleving, te bewegen? En zo ja, welke kant op? Vooruit of achteruit? Meestal gaat het de goede kant op zoals die keer dat op initiatief van onder meer de club Leeuwarden-Zuid in 2003 een fantastisch bedrag bijeen werd gebracht om van Wladivostock naar Hollandse kusten te fietsen. Je moet het maar opbrengen! Maar soms staat dat wiel stil, of nog erger, iemand steekt er een spaak in.

Als vrijblijvendheid bijvoorbeeld overheerst; of het zo gezellig is dat buitenstaanders de club niet meer kunnen onderscheiden van een sociëteit. Of de leeftijdsopbouw verjonging bemoeilijkt. Of de continuïteit van districts- en clubplannen in gevaar komt door de regel dat je maar 1 jaar gouverneur of voorzitter bent. Dat kan zo zijn voordelen hebben, maar ook zijn schaduwzijden. Of wanneer die moeilijke avenue, op grond waarvan we lid zijn geworden, ons beroep, niet echt uit de verf komt. Ik kom daarop nog terug. We zijn immers allemaal professional en leidend in ons beroep.

Dat brengt mij naar de vraag wat Rotary op dit moment voor uzelf betekent of nog anders: “zou u met drie vrienden Rotary anno 2004 nog oprichten?” Als u daarop doordenkt, dan leidt dat vanzelf tot een volgende vraag: zit de samenleving op een serviceclub te wachten met als eerste doelstelling: de dienstbaarheid door het beroep? Daar was het Paul Harris tenslotte om begonnen. Rotary International beantwoordt die vraag positief. Onlangs heeft zij nog maatschappelijke thema’s tot prioriteit verheven: bevolkingsvraagstukken, vrede- en conflictbeheersing, analfabetisme, gezondheidszorg. In 2002 is nog een zevental centra voor internationale studies in vredes- en conflictbeheersing opgericht, waar 70 studenten worden opgeleid in methoden tot bevordering van vredesprocessen. Rotary doet niet aan politiek en terecht. Maar brengt wel mensen en groeperingen bij elkaar om tot wederzijds begrip te komen ter oplossing van maatschappelijke en politieke problemen. Zo organiseerde Rotary International twee jaar geleden nog in Caïro een Midden-Oosten conferentie die als sprekend voorbeeld daarvan mag gelden. Waarom zou Rotary in Nederland dat eigenlijk niet ook kunnen op bijvoorbeeld regionaal en landelijk niveau? Bruggen bouwen tussen mensen behoort tot de “core business” van de beweging. Kijkt u maar naar het mission statement waarin de kernwaarden van Rotary zijn opgenomen

Die waarden hebben alle een verschillende betekenisinhoud, maar één ding hebben ze gemeen: ze zijn gericht op de buitenwereld. Soms, als de mensen het echt te gortig maken, kiest Rotary zelfs stelling. Paul Harris bijvoorbeeld als hij aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog met instemming een landgenoot citeert: “Nations have recently being let to borrow millions for a war; no nation has ever borrowed largely for education; probably no nation is not rich enough to pay for both war and civilisation, we must make our choice, we cannot have both”. In de traditie van onze beweging past dus kennelijk geen individuele vrijblijvendheid noch maatschappelijke vrijblijvendheid. Leidraad is echter dat Rotary “without dogma and tolerant at all times” is.

Ga ik te ver als ik concludeer dat Rotary er niet is voor zichzelf, maar voor de ander die onze steun behoeft zowel in de plaatselijke gemeenschap als in de uithoeken van deze wereld? Hopelijk is dit voor ons een retorische vraag.

De mate waarin we daaraan voldoen geeft tegelijkertijd het antwoord op de vraag wat behoren wij te doen, daarop beoordeelt de buitenwereld ons ook. Identiteit staat dus niet los van moraliteit. Voor ons als vision group staan voor Rotary in Nederland drie kernwaarden centraal: betrokkenheid, betrouwbaarheid en beschikbaarheid. Deze drie waarden verwijzen naar het ethische concept van Paul Harris dat beoogt ons gedrag op een morele grondslag te baseren. Betrokkenheid staat daarbij voor het je rekenschap geven van de vragen, noden en behoeften van de samenleving, dichtbij en veraf. Daar past geen onverschilligheid bij. Betrouwbaarheid geeft aan dat met name onze beroepsuitoefening moreel gefundeerd dient te zijn. Integriteit en maatschappelijke verantwoordelijkheid zijn sleutelbegrippen waardoor Rotarians hun voorbeeldfunctie kunnen vervullen. Beschikbaarheid tenslotte, verwijst naar de dienstbaarheid en die niet volgens de gedachte ‘doe ik iets voor jou, dan doe jij iets voor mij’; ze is onvoorwaardelijk; tegen de tijdgeest in.

Wij stellen voor dat deze drie kernwaarden binnen de clubs in Nederland een duidelijke rol spelen zowel als oriëntatie voor onszelf, als voor de buitenwacht. Ze dienen duidelijk gecommuniceerd te worden en herkenbaar te zijn.

Voor de discussie geef ik u nog een vraag mee: spelen deze kernwaarden een rol bij het antwoord op de vraag waarom u nog lid van Rotary bent en …. Waarom u het werd.

Dat brengt mij bij vocational service omdat zonder het beroep, Rotary niet denkbaar is. Ook daar past een vraag bij: “Zou u lid worden van een serviceclub die niet de classificatie-eis stelt?” De meesten van u beoefenen hun professie met enthousiasme en gepaste trots. Je zou verwachten dat het dan niet zoveel moeite kost om dat ook uit te dragen door dienstbaarheid. Toch hebben we daar moeite mee. Komt het omdat het als enige avenue echt een appèl doet op persoonlijk inzet? Toch heeft het beroep niet alleen te maken met geld verdienen. De protestantse theoloog Roskam Abbing wijst erop dat in het woord “verdienen” een verwijzing zit naar het dienen van anderen, waarvoor vervolgens een beloning wordt gegeven. Arbeid heeft dus niet alleen te maken met jezelf, maar is (ook) gericht op de medemens. Arbeid hoort dus niet a-moreel te zijn. Daar dachten ze in Chicago in 1905 anders over. Vandaar Rotary. En hoe is het in Nederland in 2004 gesteld? Niet veel beter, vrees ik. Mij valt in ieder geval op dat als je tegenwoordig de kinderen vraagt wat ze later willen worden, ze als motief voor hun keuze vaak aanduiden “daar kun je lekker veel geld mee verdienen” (maar misschien kom ik wel in de verkeerde milieus).

Dienstbaarheid door ons beroep dus. Bijvoorbeeld door:

informatieoverdracht over ons beroep en de beleving daarvan, danwel informatie over een actueel maatschappelijk probleem. De medische classificaties in uw regio zouden bijvoorbeeld lezingen aan de lokale bevolking kunnen aanbieden over preventie bij bepaalde ziekten of de aard van veel voorkomende aandoeningen. (bijv. Alzheimer)

Door meningsvorming als er thema’s in de samenleving opduiken, waarbij voor- en tegenstanders elkaar in de houtgreep houden. Mensen bij elkaar brengen om samen te zoeken “naar het betere argument”. Rotary is daarvoor geschikt want wij vertegenwoordigen geen belang of het zou de bevordering moeten zijn van wederzijds begrip.

Met enige terughoudendheid zouden wij opinies kunnen formuleren over thema’s die er toe doen en waarbij een tegengeluid nodig is door met reputatie beklede instituties. En voor de discussie: waarom was eigenlijk in de kolommen van de Rotarian een discussie over de code Tabaksblad geheel afwezig? We zijn toch een organisatie van betrokken beroepsbeoefenaren? En dan: maatschappelijk verantwoord ondernemen; hebben wij vanuit onze basisfilosofie instrumenten aan te reiken tot een meer concrete invulling van dat begrip? En wat heeft de Rotaryfilosofie te bieden in de confrontatie tussen onze waarden en die van 1 miljoen moslims? Kunnen wij bruggen slaan daartussen?

Veel Rotarians hebben ervaring vanuit hun functie om met conflicten om te gaan en oplossingen daarvoor te vinden. Die vaardigheden zouden kunnen worden ingezet als bemiddeling tegenstellingen kan overbruggen (mediation).

Vele manieren dus om service door het beroep te verlenen.

De persoon van de Rotarian is echter nog meer inzet bij het bevorderen van ethische normen bij de beroepsuitoefening. Wat moeten wij met de oproep tot verantwoord en ethisch handelen zoals in de Constitution van Rotary omschreven? Onze geloofwaardigheid staat of valt er wèl mee. Belangrijk genoeg dus. Vanaf 1905 staat zelfs de regel vast dat Rotarians geacht worden ethische codes binnen hun branche of beroepsvereniging te bevorderen. Leden van dezelfde classificatie zouden bij elkaar kunnen gaan zitten om op dat punt de stand van zaken binnen hun eigen beroep te evalueren en te bezien of dat vanuit de Rotary-gedachte een constructief idee oplevert.

Ik zie het al voor mij: alle advocaten op een avond in uw district in Assen bij elkaar: dat moet wel iets moois opleveren. De lakmoesproef is natuurlijk of de uitkomst van die discussie iets anders oplevert dan wanneer ze die discussie binnen hun eigen beroepsgroep met niet-Rotarians voeren. Als advocaat uit Amsterdam ben ik benieuwd naar de uitkomst.

Deze methode is overigens ook voor andere beroepen geschikt, maar dat had u al begrepen. En dan het meest precaire onderdeel van Rotary en ethiek: een clubgenoot wiens reputatie publiekelijk in opspraak is geraakt. Spreken we elkaar daar op aan en zo ja, hoe? Hoe maken we de afwegingen als praktische normen ontbreken, noch procedurele zuiverheid via vastliggende afspraken in een club zijn gewaarborgd? Een norm lijkt in ieder geval evident: is hij of zij nog een voorbeeld van moreel fatsoen? Geen gemakkelijke vraag, maar een die niet ontweken kan worden omdat de geloofwaardigheid van Rotary dan in het geding is.

Tot slot bepleiten wij een landelijk vocational project waarmee Rotary in Nederland in 2005 in de Nederlandse samenleving kan tonen dat dienstbaarheid door ons beroep onze prioriteit heeft, gedragen door alle clubs. Dat kan een positief signaal opleveren naar onze omgeving die ons werkterrein is. Onze identiteit verschuift dan vanzelf van vrijblijvendheid naar maatschappelijke betrokkenheid, van statisch naar meer dynamisch. Die imagoverandering doet ons geen kwaad.

Bij het bovenstaande is het absoluut noodzakelijk dat we binnen Rotary meer aandacht schenken aan communicatie. Het belang daarvan kan nauwelijks worden onderschat. Het is immers niet mogelijk niet te communiceren. Zowel intern als extern kan dat beter. Omdat clubs, districten en gouverneurs vaak op grote afstand van elkaar met eigen doelstellingen opereren, vindt er geen optimale overdracht van informatie plaats. Vaak gaat het op informele wijze van boven naar beneden en is het beperkt tot door Evanston “voorgeschreven conferenties” waar nauwelijks discussie of de reflexie plaatsvindt over na te streven doeleinden. Ons inziens kan dat beter en zou de communicatie bevorderd moeten worden tussen de clubs en tussen de districten. In ieder geval kan daarin meer structuur worden aangebracht door een landelijk communicatieplan dat ook aandacht besteedt aan de geringe inhoudelijke kennis over Rotary bij veel van haar leden en een meer professionele kennisoverdracht bij nieuwe leden. Essentieel is dat op alle niveaus een duidelijk beeld ontstaat over wat we als Rotary in Nederland willen zijn en over ons imago. De gezamenlijke beleefde groepswaarden kunnen daarbij als oriëntatiepunt gelden. Pas dan is consistent en dus geloofwaardig handelen mogelijk. Dat is voorwaarde voor onderlinge verbondenheid.

De communicatiestrategie zal er op gericht moeten zijn dat bij individuele leden een gevoel van gemeenschappelijkheid met Rotary als organisatie ontstaat en dat overeenkomt met de eigen identiteit. Dat bevordert ook de beleving dat Rotary verder gaat dan de eigen club. Clubs horen geen eilanden te zijn maar samenhangende delen van een groter geheel waaraan men zijn identiteit ontleent. Uiteindelijk gaat het er om dat Rotarians een positief zelfbeeld bezitten en bereid zijn dat ook uit te dragen (vraag: hoe vaak heeft u de laatste drie maanden buiten uw club op uw werk of elders over Rotary gesproken en bent u trots op Rotary?)

De externe communicatie zou beter kunnen. Met enige regelmaat verschijnen weliswaar in de lokale pers artikelen als acties daartoe aanleiding geven, doch in zijn algemeenheid is er geen sprake van een gestructureerde aanpak. Dat zou toch geen probleem moeten zijn indien mensen trots zijn op hun organisatie en de prestaties daarvan. In een open samenleving waarin de wereld een dorp is geworden en bij gevolg informatieoverdracht met de nodige schaalvergroting plaatsvindt, kan niet meer worden volstaan met mond-tot-mond reclame. Dat werkte primair in sterk gesloten gemeenschappen waar vroeger landelijke media nauwelijks doordrongen, maar in een tijd waarbij internet bij de jeugd de norm is, valt dat niet vol te houden. Tenslotte zijn zij ook onze toekomstige leden waarbij we primair op kwaliteit moeten letten. Dat vraagt dus om een gecoördineerde aanpak, ook als er sprake is van ronduit kwaadwillige publiciteit zoals “Rotary opent mokkend de deur voor vrouwen” met een intro “een oubollige padvindersclub een geschenk voor het leven, een geloof, een zakelijk netwerk” (Opzij februari 1998) om nog maar te zwijgen over de ingezonden brievenschrijver enkele weken geleden in NRC Handelsblad die premier Balkenende aanraadde “zijn Rotary vriendjes in de Philips-top” een einde te laten maken aan die “zelfverrijkende activiteiten”. Dan kun je natuurlijk zwijgen, hoewel de Rotary Constitution uitdrukkelijk de mogelijkheid aangeeft dat direct gereageerd wordt. Niet reageren heeft namelijk het nadeel dat het opgeroepen beeld blijft hangen.

Tenzij je natuurlijk iets te verbergen hebt, dan kun je inderdaad beter zwijgen. Als we dus een ander imago wensen, dan zullen de pogingen daartoe op het niveau moeten plaatsvinden waarop de vertekende beeldvorming plaatsvindt. In Nederland is dat vooral het niveau van de massamedia. We zijn een klein land en zitten boven op elkaar. Die media zijn ook de belangrijkste doorgevers van informatie geworden. Vooral voor onze doelgroepen. Bij die publiciteit past ook een landelijk woordvoerder zodat we één gezicht tonen.

Ten slotte een enkel woord over onze organisatie. Rotary lijkt op een franchise-organisatie waarbij de clubs een formule aangereikt krijgen om autonoom daaraan invulling te geven onder respectering van strenge randvoorwaarden. Dat heeft grote voordelen omdat het de veelvormigheid bevordert in de mate dat creativiteit aanwezig is. Nadeel is versnippering en weinig uitwisseling en afstemming van activiteiten van de afzonderlijke clubs. Hetzelfde geldt voor de districten. Van enige coördinatie tussen de clubs en tussen de districten is nauwelijks sprake. Dat hoeft ook niet als je niets of weinig met elkaar doet. De nadruk van de centrale organisatie (Rotary International) ligt dan ook op toezicht en controle van de afzonderlijke eenheden. Dat verhoogt vervolgens niet het enthousiasme van de clubs om gezamenlijke activiteiten te ondernemen. Gevolg: ontwijkinggedrag waarbij er zelfs sommigen zijn - uiteraard niet in uw district - die hun verplichtingen aan de internationale organisatie niet nakomen of minimaliseren. Kennelijk is de beleving om tot een internationale beweging te horen erg klein (vraag: zou u ook lid van uw club zijn als die geen onderdeel uitmaakte van Rotary International?) Het gebrek aan coördinatie en daardoor aan samenhang en continuïteit speelt overigens ook binnen de clubs en de districten zelf, en het gouverneursberaad. Na één jaar kan immers alles weer anders worden met een andere voorzitter of gouverneur. Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat Rotary een vrijwilligersorganisatie is. Afstemming van activiteiten en coördinatie lijdt dan onder het ontbreken van normen voor gewenst gedrag als de vrijblijvendheid tot beginsel wordt verheven.

Sancties zijn afwezig en normloosheid is de norm. In een dissertatie over vrijwilligersorganisaties las ik dat daarin “zowel de zweep als de worst” onvoldoende helpt. Het is dus alleen op te lossen als de persoonlijk binding aan de missie van de organisatie gecombineerd wordt met een goed sociaal gevoel, over de groep, ofwel omdat “het zo gezellig is”. Als je geluk hebt worden afspraken dan wèl nagekomen en melden mensen zich tenminste af voor een vergadering. Maar: bij Rotary is het toch traditie dat bij toelating binding wordt verwacht van het nieuwe lid? Uiteindelijk moet het ons om de kwaliteit gaan en niet om de kwantiteit.

Een ketting is zo sterk als zijn zwakste schakel. Rotary Nederland bestaat uit 440 schakels. Zoals gezegd, is dat problematisch voor de imagovorming, zeker als we in 2005 Rotary aan de samenleving als een organisatie van maatschappelijk betrokken beroepsbeoefenaren willen presenteren. Het ontbreken van samenhang en coördinatie beïnvloedt echter ook de effectiviteit negatief. Daarom bepleiten wij meer samenwerking tussen de clubs en de districten op aansprekende regionale en landelijke activiteiten. Dat bevordert de cohesie binnen Rotary in Nederland én de beleving daarvan door de individuele Rotarian. En wat de coördinatie betreft, zouden gouverneurs, districten en clubs geholpen zijn met de benoeming van een commissaris coördinatie die zorgdraagt voor integratie en continuïteit van beleid alsmede met een beleidsgroep voor het gouverneursberaad ter stroomlijning en onderlinge afstemming van landelijke projecten. Dat voorkomt dat het wiel telkens opnieuw wordt uitgevonden respectievelijk de verkeerde kant opdraait.

In die visie past ook het om de twee jaar houden van een multi-districts-conferentie zoals volgend jaar voor het eerst zal plaatsvinden. In zo’n jaar zou de districtsconferentie zich kunnen beperken tot de voorgeschreven huishoudelijke zaken.

Tot slot: we hebben de kwaliteiten om dit vernieuwingsproces op gang te brengen. Die kwaliteiten bestaan uit:

onze humanitaire betrokkenheid;
· we zijn een ontmoetingsplaats van verschillende beroepsbeoefenaren die op basis van vriendschap zich verbonden weten vanuit het ideaal om door dienstbaarheid een betere wereld te scheppen;
· een kapitaal aan kennis;
· onafhankelijkheid;
· onderling vertrouwen en welwillendheid (fellow-ship);
· een internationaal netwerk;
· de wettelijke regelmaat van onze bijeenkomsten.

Met een optimalisering van die kwaliteiten moet het mogelijk zijn te voldoen aan de oproep van toenmalig Koningin Juliana in haar kerstrede van 1979: “In de wereld komt het er op aan: hoe je bent en wat je uitstraalt. Het is een grootse roeping mens te zijn - en het waarste en het beste in ons vrij te maken voor een actieve uitstraling”. Moge die woorden een stimulans voor ons zijn op weg naar 100 jaar Rotary.

Karel Claassen
Voorzitter Visiongroup
e-mail: claassen@wieringa.nl
tel.: 020-664 18 34

Image Navigation

Wevolve