Rotary en andere serviceclubs, artikel in NRC, 19 feb 2016

HET ELITAIRE KARAKTER WERKT TEGEN

Van oudsher waren ze tamelijk gesloten, nu maken ze zich zorgen over het dalende ledenaantal. Rotary en Lion willen van hun imago van exclusieve eetclub af. ‘Mensen zijn niet meer gevoelig voor status’

Reportage Serviceclubs Door Eva Oude Elferink en Harrison van der Vliet 

Dit artikel werd gepubliceerd in NRC Handelsblad op Vrijdag, 19 februari

Zodra voorzitter Henk Griffioen op de houten kist gaat staan, verstommen de gesprekken. In de Bibliotheekzaal van Bowling- en Partycentrum De Oude Tol is het eerste kopje koffie net op. Zo’n dertig hoofden draaien zijn kant op. „Vrienden, zullen we dan maar?” De wekelijkse bijeenkomst van Rotaryclub Sassenheim is begonnen.

Het zijn de plekken waar je van oudsher rechters trof, chirurgen, bestuurders uit het regionale bedrijfsleven. De succesvolle laag van de samenleving. Heren, later ook dames, die iets wilden ‘terugdoen’ voor de maatschappij. Als bijna vanzelfsprekend sloten zij zich aan bij Rotary of Lions, de twee grootste zogenoemde serviceclubs van Nederland. Vrijwilligerswerk en netwerk ineen.

Maar de tijden zijn veranderd. Het ledental van deze clubs – respectievelijk 19.000 en ruim 12.000 – kalft sinds de crisis met 2 à 3 procent per jaar af. Het onuitgesproken credo ‘eenmaal lid, altijd lid’ leidt er bovendien toe dat vergrijzing toeslaat. Zijn traditionele serviceclubs nog wel van deze tijd?

Nadruk op vriendschap

Oubollig. René Spijker, bestuurslid van Rotary Administratie Nederland, weet het zelf ook wel: hun imago helpt niet. „Mensen denken bij de Rotary aan een herenclub. Beetje netwerken, lekker eten.” Terwijl het doel volgens hem juist maatschappelijk van aard is.

Begin vorige eeuw waaiden serviceclubs over uit de Verenigde Staten. Succesvolle zakenlieden toonden hun betrokkenheid door bij charity dinners aan te schuiven en schenkingen te doen, onderwijl op vergaderingen werkperikelen besprekend. Sinds de jaren tachtig zijn bij beide clubs ook vrouwen welkom. Niet dat iedereen zich zomaar kan aansluiten. Er geldt sinds jaar en dag een ballotage: je moet worden gevraagd. Ging er van dat elitaire karakter vroeger een grote aantrekkingskracht uit, tegenwoordig werkt het clubs eerder tegen. „We proberen daar absoluut iets aan te veranderen, maar zouden graag zien dat het sneller gaat”, zegt Spijker.

Is niet gewoon het concept van traditionele serviceclub passé? De Nederlandsche Tafelronde, voor mannen tussen de 18 en 40 jaar, lijkt met ruim 3.000 leden door het hele land het tegendeel te bewijzen. De club kent een klassieke opzet: je moet man zijn, worden gevraagd en maatschappelijke betrokkenheid tonen. De nadruk ligt vervolgens op vriendschap en het delen van kennis, zegt nationaal woordvoerder Tom Mulder (30). Het servicegedeelte is een bijkomstigheid.

Meer vrijheid bij jongere clubs

Dat geldt ook voor de Nederlandse tak van JCI, Junior Chamber International (ruim 2.000 leden), die zichzelf ziet als „netwerkorganisatie voor ondernemende mensen die zich persoonlijk willen ontwikkelen”. Iedereen is welkom, maar er wordt in een gesprek vooraf wel gekeken of je erbij past. Ook is de leeftijdsgrens helder: na je veertigste ben je lid af.

Het grote verschil met Rotary en Lions: Tafelronde en JCI zijn in de afgelopen jaren gegroeid. Wat doen deze ‘jongerenclubs’ anders?

Een deel van het antwoord is dat er minder hoeft. Geen wekelijkse of tweewekelijkse bijeenkomsten, zoals bij traditionele clubs nog gebruikelijk is. Geen minimum aantal uren dat je als lid wordt geacht actief te zijn. Of controle daarop. Mulder van de Tafelronde: „Als je aanwezigheid verplicht stelt, krijg je dat business minded mensen moeite hebben lid te blijven.”

Iets wat Elisabeth Haderer, die later dit jaar international director bij Lions wordt, maar al te goed herkent. Het is allemaal projectmatiger tegenwoordig, zegt ze. „Vroeger werd je lid en bleef je dat. Nu worden mensen lid en denken ze: ‘Interessant voor een paar jaar, daarna kijk ik wel weer verder’.” Banen zijn niet meer per definitie van negen tot vijf, op dezelfde plek, in hetzelfde land.

De jongerentakken van Rotary en Lions, Rotaract en Leo’s, gericht op twintigers, proberen het dan ook anders aan te pakken. „We laten onze leden zo vrij mogelijk”, zegt Rotaract-voorzitter Mark Andringa. „Je moet af en toe wel een vergadering bijwonen, maar als je maar een paar keer per jaar bij een project betrokken bent, is dat prima.”

Het gat met de traditionele moederclubs is te groot, zeggen ze. De communicatie verloopt stroef of is er niet, doorstromen is lastig vanwege het grote leeftijdsverschil. Daardoor kiezen leden rond hun dertigste eerder voor bijvoorbeeld JCI of De Nederlandsche Tafelronde.

‘Waarde overbrengen is moeilijk’

En dan is er, los van het imago en de verplichtingen, nog een belangrijker vraag: waarom zou je eigenlijk nog lid van Rotary of Lions wíllen worden? Vroeger deed je het onder meer voor de internationale contacten. Tegenwoordig hoef je daarvoor niet meer bij een club. Spijker: „We leven in een afrekenmaatschappij, mensen willen precies weten wat het lidmaatschap oplevert.”

Dat is alleen niet altijd makkelijk uit te leggen, zegt hij. „We zien dat mensen meer kijken naar het eindresultaat dan het proces. Ze zien niet de vriendschappen die zijn opgebouwd gedurende projecten. Dan is het moeilijk de waarde van je club goed over te brengen.” Serviceclubs hadden vroeger een bepaalde status, voegt Haderer van Lions toe. „Mensen zijn daar nu niet meer gevoelig voor. We zijn minder gezagsgetrouw.”

Uit het onderzoek Geven in Nederland 2015 van de Vrije Universiteit Amsterdam blijkt bovendien dat het percentage Nederlanders dat vrijwilligerswerk doet is gedaald van 45 procent in 2008 naar 37 procent in 2014. Ook besteden mensen minder tijd aan vrijwilligerswerk en wordt de groep die werk doet binnen verenigingen en stichtingen steeds kleiner.

Wel is Nederland volgens Haderer nog steeds een goededoelenland. „Alleen zijn de initiatieven tegenwoordig erg individueel. Mensen beginnen op Facebook eigenhandig een actie in plaats van zich aan te sluiten bij een serviceclub.” Terwijl die volgens haar juist veel voordelen hebben. Een bekende naam, de mogelijkheid ingezamelde bedragen te laten verdubbelen door de vereniging.

Imago van eetclub

Toch is het benadrukken van dat aspect niet genoeg meer, realiseren de clubs zich. Waar de meerwaarde óók in zit? De zakelijke voordelen. Het netwerk dat je opbouwt, de opdrachten die je elkaar kunt toeschuiven. JCI en Tafelronde zijn er open over, voor Rotary en Lions ligt dat vaak gevoelig. „Netwerken is voor ons geen doel op zich”, zegt Spijker. „Leden kunnen uiteraard wel zaken doen, maar dat komt dan voort uit de vriendschapsband die ze hebben opgebouwd.”

De traditionele clubs moeten zich zien aan te passen zonder dat hun identiteit verloren gaat. De eerste veranderingen zijn al doorgevoerd. Zo is bij beide de aanwezigheidsplicht teruggeschroefd. Een aantal clubs hanteert helemaal geen ondergrens meer. Ook wordt geëxperimenteerd, zoals met „kleinere clubs die op projectbasis aansluiting zoeken”, zegt Haderer. Bij Rotary zijn er ‘e-clubs’ voor mensen die niet regelmatig bijeen kunnen komen.

En er is meer pr. Op de zeepkist in Sassenheim staat niet voor niets ‘Laat je zien’, het onlangs door de plaatselijke clubs geadopteerde motto.

Toch wringt dat soms, zegt Spijker. „Van oudsher is de gedachte: ‘We hoeven onszelf niet op de borst te kloppen’. Maar als je wilt dat mensen lid worden, moet je meer vertellen. Anders kom je nooit van het imago af dat je alleen maar een eetclub bent.”

Het credo ‘eenmaal lid, altijd lid’ leidt tot vergrijzing. Mensen denken nu ‘leuk voor een paar jaar’ en kijken dan weer verder

Dit artikel werd gepubliceerd in NRC Handelsblad op Vrijdag, 19 februari