spreker-Onno Kroese van RC Utrechtse Heuvelrug - Onstaan van Israel

Oorzaak van het Israëlisch-Arabisch conflict

Het Israëlisch-Arabisch conflict vindt zijn oorsprong in de lange geschiedenis van het Joodse volk in Europa en het Midden-Oosten. Joden leefden verspreid over Europa als Sefardische (Zuid-Europa) en Asjkenazische (Oost- en Midden-Europa) gemeenschappen. In Oost-Europa kregen zij te maken met zware vervolgingen, zoals pogroms in Rusland. Hierdoor emigreerden veel Joden naar de Verenigde Staten en later ook naar Palestina.

Aan het eind van de 19e eeuw groeide het zionisme, een beweging die streefde naar een eigen Joodse staat. Theodor Herzl speelde hierin een centrale rol en organiseerde in 1897 het eerste Zionistische Wereldcongres. Palestina, toen onderdeel van het Ottomaanse Rijk, werd gezien als het historische thuisland van de Joden, maar was al bewoond door een Arabische bevolking.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog deden Europese grootmachten tegenstrijdige beloften. Groot-Brittannië beloofde Arabieren onafhankelijkheid (McMahon-correspondentie), verdeelde het Midden-Oosten met Frankrijk (Sykes-Picot-verdrag) en steunde in 1917 via de Balfourverklaring de vestiging van een “nationaal tehuis voor het Joodse volk” in Palestina. Deze tegenstrijdige afspraken legden de basis voor latere conflicten.

Na de oorlog kwam Palestina onder Brits mandaat. De Joodse immigratie nam toe, wat leidde tot spanningen en Arabische opstanden. De Britten probeerden dit te beheersen door immigratie te beperken. De Holocaust tijdens de Tweede Wereldoorlog versterkte de internationale steun voor een Joodse staat.

Op 15 mei 1948 werd de staat Israël uitgeroepen. Dit leidde direct tot oorlog met omliggende Arabische landen. Voor Palestijnen betekende dit de Nakba (“catastrofe”): honderdduizenden vluchtten of werden verdreven. De vluchtelingenproblematiek bleef bestaan en werd deels opgevangen door UNRWA.

In de decennia daarna volgden meerdere oorlogen, zoals de Suezcrisis (1956) en de Zesdaagse Oorlog (1967), waarin Israël grote gebieden veroverde. Israël sloot later vrede met Egypte en Jordanië, maar het conflict met de Palestijnen bleef onopgelost. Vandaag is Israël een economische en militaire grootmacht met sterke steun van de VS, maar kampt het met blijvende spanningen in de regio en afnemend internationaal draagvlak.

De Zesdaagse Oorlog (1967)

De Zesdaagse Oorlog van 1967 was een extreem korte maar beslissende oorlog tussen Israël en zijn Arabische buurlanden Egypte, Syrië en Jordanië. De oorlog wordt vaak omschreven als een van de best voorbereide oorlogen ooit. Israël verkeerde in een kwetsbare positie: het land had weinig strategische diepte, een kleine bevolking, een beperkte economie en was sterk afhankelijk van buitenlandse steun. Tegelijk beschikte Israël over een strak georganiseerde krijgsmacht, technologische voorsprong en hoog opgeleide soldaten.

Na eerdere conflicten, zoals de Suezcrisis van 1956, werkte Israël een militaire strategie uit die gebaseerd was op snelheid, verrassing en totale uitschakeling van de tegenstander. Het doel was een zo kort mogelijke oorlog met maximale afschrikking voor de toekomst, vergelijkbaar met een blitzkrieg.

De directe aanloop naar de oorlog bestond uit oplopende spanningen: luchtgevechten met Syrië, inmenging van de Sovjet-Unie, mobilisatie van het Egyptische leger en het afsluiten van de Golf van Aqaba door Egypte, wat voor Israël een casus belli (oorlogsreden) vormde. In de Arabische wereld heerste groot optimisme en het idee dat Israël snel verslagen zou worden.

Op 5 juni 1967 begon Israël met Operatie Moked, een verrassingsaanval waarbij bijna de volledige Israëlische luchtmacht werd ingezet om de Egyptische luchtmacht op de grond te vernietigen. Dankzij uitstekende inlichtingen, speciale munitie, perfecte timing en extreem snelle herbevoorrading werd het merendeel van de Arabische vliegtuigen binnen enkele uren uitgeschakeld. Hierdoor verkreeg Israël volledige luchtoverheersing.

Daarna volgden snelle grondoffensieven met tanks. In de Sinaï-woestijn werden de Egyptische troepen beslissend verslagen, onder andere bij Um Cataf, waar Ariel Sharon een sleutelrol speelde. Jordanië maakte volgens Israël een strategische fout door zich in de oorlog te mengen, waarna Israël de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalemveroverde, inclusief de Oude Stad van Jeruzalem. Later werd ook Syrië aangevallen en werden de Golanhoogteningenomen.

Binnen zes dagen had Israël een overweldigende overwinning behaald en zijn grondgebied sterk uitgebreid. Het resultaat was het ontstaan van het idee van “Groot-Israël”, maar ook het begin van nieuwe problemen: bezette gebieden, Palestijnse vraagstukken en blijvende spanningen met de buurlanden. De oorlog legde bovendien de basis voor latere conflicten, zoals de Jom Kipoeroorlog van 1973.