© 2024 Rotary in Nederland.
Alle rechten voorbehouden.

Column Sheila Sitalsing

Gesproken tekst, Rotary Amsterdam 100 jaar, Sheila Sitalsing

Goedenavond,

Nederland is een lief land.

Een intens lief land.

Een zeldzaam intens lief land, durf ik zelfs te beweren.

Want ja, het klopt dat er in Nederland soms lomp en met weinig nuances tegen elkaar wordt gepraat,

en ja het klopt dat er hier soms lelijk wordt gescholden ook wanneer dat niet per se nodig is,

en ja het klopt dat Nederlanders zoveel drek spuien op sociale media dat ze ooit bij Facebook extra moderatoren hebben moeten aanstellen die fulltime in de weer zijn om alle Hollandse viezigheid uit de reageerpanelenweg te poetsen,

en ja het klopt dat het er hier ook krankzinnig aan toe kan gaan,  

met cultuuroorlogen over de wolf,

en met doodsbedreigingen aan een brave tuinder in het Westland die een paar honderd arbeidsmigranten wilde huisvesten op zijn terrein, (de bedreigingen komen overigens van collega-tuinders die gebruik maken van de arbeid van die migranten, maar het bezwaarlijk vinden dat die gehuisvest worden bij hun in de straat – ik verzin dit niet, het gebeurt allemaal in dit land)

 

MAAR

Maar in het echt is dit een land waar de goeiigheid gul door de straten stroomt

En waar de goeiigheid en de vrijgevigheid feestelijk bij elkaar komt. Zoals vandaag, hier.

Dit is het land waar, zodra er ergens ellende is in de wereld,

de mensen massaal geld overboeken,

of nog liever naar zolder lopen om een grote zak te vullen met oude knuffels waarmee niet meer geknuffeld wordt,

de broek van Oom Jan die nog best ermee door kan,

en een overgeschoten dekbed.

Daarna leggen ze die zak achterin de auto en gaan ze net zolang rijden tot ze op een behoeftige vluchteling stuiten.


Zo ging het toen afgelopen jaar miljoenen Oekraïense vrouwen en kinderen hun land ontvluchtten,

en ze bij de Europese grenzen tot aan de kuiten stonden in dichtgeknoopte vuilniszakken vol tweedehandsjassen en liefs uit Holland.

En zo ging het ook al in 2015 toen de bootvluchtelingen uit Syrië de Griekse stranden op dreven.

Ook toen trok de hulpvaardigste Nederlander zuidwaarts, langs Griekse dorpen, totdat, zoals dichter en schrijver Nico Dijkshoorn dat toen in de Volkskrant opschreef, ‘hij iemand had gevonden die zin had zijn oude tuinbroek te dragen’.

Noem het een vorm van bezwering.

Van in godsnaam iets doen.

Er stroomt een rivier van gulheid, vrijgevigheid en erbarmen met de minder fortuinlijken door het land.

 

Een paar cijfers,

een heleboel hiervan heb ik van hoogleraar filantropie Theo Schuyt gekregen en uit publicaties gehaald van hoofdeconoom Peter Hein van Mulligen van het CBS:

er wordt per jaar zo’n 5,7 miljard euro gegeven aan geld en spullen, aan hulp en aan liefdadigheid. Dat is 0,8 procent van het bruto binnenlands product en meer dan de rijksoverheid uitgeeft aan ontwikkelingshulp.

Dit percentage is al jaren min of meer stabiel.

De giften en goede daden komen van gewone mensen, van goededoelenloterijen, uit nalatenschappen, van bedrijven, van de Rotary uit Amsterdam wellicht.

Daarnaast ritselt het in Nederland van de sociale initiatieven en van de burgerzin.

Afhankelijk van hoe je rekent, telt dit land 6 a 7 miljoen vrijwilligers, een getal dat stabiel is door de jaren heen.

U kent ze wel, die bespiegelingen over de kille los-zand-samenleving en het oprukkende individualisme en het kijknaarmij van de instagramgeneratie dat ervoor verantwoordelijk zou zijn dat we niet meer naar elkaar omkijken.

Het is een beetje onzin, zo blijkt uit allerlei onderzoek van sociologen.

 

Dit het land van een heel sterk maatschappelijk weefsel.

Het zit hier in de zaal, gewoon op een zaterdagavond, dat heel sterke maatschappelijke weefsel. En het ziet er goed uit.

In dit land van weinig adel en veel burgers regelen burgers onderling al eeuwen samen de boel.

Nederland had heel vroeger al het hoogste aantal ouderenhofjes van de hele wereld, zo becijferde de eerder genoemde Theo Schuyt, omdat ouderen nu eenmaal netjes verzorgd moeten worden.

Tegenwoordig is dit het land met de meeste door vrijwilligers bestuurde verenigingen per hoofd van de bevolking in de wereld. 

 

Want goed doen is één, het moet wel geordend gebeuren. In clubverband.

Met een voorzitter en een penningmeester en een secretaris die als eerste daad een vacature opstelt voor iemand om het schema van aan- en aftreden te beheren.

Soms dragen ze daar sjerpen bij  en mooie ketenen om de hiërarchie te markeren.

In die verenigingen gaan mensen samen de boel bestieren.

De sportclub, de kerk of de carnavalsoptocht.

Ze gaan het museum helpen of fondsen werven voor het theatergezelschap.

Ze bemensen de vrijwillige brandweer.

Ze rijden oudjes rond in een bus, rapen vuil in het bos, geven taalles aan laaggeletterden (dit is een heel belangrijke activiteit, waar ik even het licht op wil laten schijnen: er zijn 2,5 miljoen mensen in dit land die moeite hebben met lezen, schrijven, rekenen of een computer gebruiken: in godsnaam, laten we daar wat aan doen).

Enkele van deze clubs zijn vastgelegd in de bekende, fenomenale fotoserie over het overleg in de polder van fotograaf Taco Anema.


©Taco Anema 


In de traditie van de schilderijen van regenten uit voorbije eeuwen die oudemannenhuizen en meisjeshuizen runden, fotografeerde Anema de mensen die nu de harmonie of de hockeyclub doen of het studentencorps, of de Chinese vrouwenvereniging.

Ze zitten achter tafels, op de agenda een hoop goede intenties, op tafel de koffiekan met bekertjes of kopjes en de notulen van de vorige keer.

Ze zitten er in hun vrije tijd, voor de goede zaak.

En ook omdat het gewoon leuk is.

 

Ik kon bij Anema geen portretten terugvinden van de Rotary, maar ook zonder fotoshoot heb je een spetterend eeuwfeest verdiend als je de honderd hebt gehaald.

Honderd jaar dienstbaarheid, op z’n Rotary’s.

Ik hoop dat Taco Anema alsnog uitrukt om dit vast te leggen.

Over die dienstbaarheid nog even:

Het begrip dienstbaarheid is niet populair in Nederland, omdat het voor velen de connotatie heeft van kruiperigheid, van serviliteit en van ondergeschiktheid.

Dat ligt niet lekker in dit land van doe maar gewoon.

In dit geseculariseerde land valt er ook mild wantrouwen te noteren als het begrip dienstbaarheid valt, want is dat niet iets religieus’? Gaat dat niet over Paus Franciscus die op Witte Donderdag in een Italiaanse gevangenis de voeten van twaalf gedetineerden waste? Zoals Jezus dat deed met de voeten van zijn discipelen.

 

Ik kwam bij mijn voorbereidingen voor deze avond zelfs serieuze verhandelingen tegen waarin het begrip dienstbaarheid gelijk wordt gesteld aan commerciële dienstverlening.

Aan een marketinginstrument dat behulpzaam is bij klantenbinding. Dienstbaarheid als verdienmodel.

Maar de dienstbaarheid waar ik het hierboven over heb,

die van spullen in een doos doen om weg te geven,

die van taalles organiseren,

die van eindeloos vergaderen over hoe we het leven iets beter kunnen maken voor andere mensen, al is het maar één mens, want wie een mens redt, redt de mensheid,

dát is volgens mij de ware dienstbaarheid.

 

Dienstbaarheid is je tijd, je middelen, je netwerk, je kennis inzetten om een motor van het goede te zijn.

Een hulpmotortje voor mijn part, want we zijn niet allemaal even groot en sterk.

En als je het al honderd jaar doet: een hele vette diesel.

 

Tuurlijk, u doet het ook omdat u er wat voor terugkrijgt, dat is de andere kant van dienstbaarheid.

Gezelligheid, u leert wat van elkaar, u breidt uw netwerk uit, u ontleent er een zekere status aan misschien, ontvangt wellicht een beetje dankbaarheid, en het prettige gevoel: wat voor verschrikkelijks er ook gebeurt, aan u zal het niet hebben gelegen.

Dit type dienstbaarheid – noem het liefdadigheid, filantropie – heeft soms een vieze bijsmaak.

Als speeltje van rijke mensen die enerzijds de belastingen ontduiken en anderzijds voor God in hun eigen universum spelen door bakken geld te steken in wat zij een leuke hobby vinden.

Als machtsmiddel, van mensen die aan de goede kant van de streep zijn beland en zelf wel even zullen bepalen wat het algemene belang is, en welke sloeber het verdient gered te worden.

Als een vorm van hypocrisie wellicht,

door mensen die enerzijds liefdadigheid uitstorten over de vertrapten en die iets leuks met kinderkanker doen,

en anderzijds een fiscalist in de arm hebben genomen om hun vermogen veilig buiten het bereik van de belastingdienst te stellen.

Dat is een wat strenge blik op liefdadigheid wellicht.

En totaal niet van toepassing op u want u bent niet zo.

Bovendien ken ik samenlevingen die zouden instorten zonder de dienstbaarheid van de elite.

Zoals het land van mijn vader, Suriname, waar een bloeiende cultuur van heel veel serviceclubs bestaat.

Als die Rotarians en Lions en Soroptimisten en wie al niet meer houden kindertehuizen in de lucht, verzorgen muziekonderwijs en computers voor op scholen, en doen nog honderd andere belangrijke dingen die de overheid niet kan en niet doet,

en die de overheid ook niet zál doen als er tien keer zoveel belasting wordt betaald,  

omdat er nog zoveel andere problemen zijn.

 


Sheila Sitalsing

En al die clubs vormen een oersterk netwerk over de wereld dat levens verlicht.

Daarom zeg ik: driewerf hoera. Hoera voor uw inspanningen, hoera voor uw dienstbaarheid, hoera voor u.

Blijf dienstbaar, in vrolijkheid. Houd dit land lief. Op naar de volgende honderd jaar.

 

Ik dank u voor uw aandacht.